Reflectie van Katinka Broos, pastor in het wijkpastoraat Oude en Nieuwe Westen in Rotterdam, uitgesproken bij de boekpresenatie van Werk(t van alle kanten, pleidooi om werk opnieuwe vorm te geven op 13 juni 2019 in Rotterdam

 

Beste aanwezigen,

Na het lezen van een van de concepten van het boek van Roelien, gaf ik haar de volgende reactie:

“Ik vind jouw agenda voor de toekomst op p. 65 (dat is inmiddels veranderd) wel ver van m'n bed. Dat kan komen omdat ik niet in de doelgroep val voor wie jij dit stuk schrijft. (…) Ik heb in ieder geval bij geen van de punten iets van: spannend, daar ga ik mee aan de slag. Dat terwijl een aantal vraagstukken waar je het over hebt heel interessant zijn en waar ik het regelmatig over heb met mensen in het Oude Westen: verplicht vrijwilligerswerk doen voor je uitkering; mantelzorgen naast je werk; hoeveel mag het verpleeghuis aan mantelzorg van jou verwachten; wie heeft wanneer sollicitatieplicht; is zzp bij de post of maaltijdbezorging gunstig of niet enz.”

Natuurlijk reageerde Roelien meteen:

Verder schrijf je dat jij niet onder de doelgroep valt voor wie ik schrijf. Dat was niet mijn intentie. Mensen zoals jij vallen er wat mij betreft juist wel onder  (ik noem deze groep mensen die werken in maatschappelijke projecten). Ik wil het grotere verband laten zien, opdat de keuzes in eigen project of aanpak scherper gemaakt kunnen worden, maar als ik kijk naar de voorbeelden die je noemt, dan realiseer ik me dat de mensen erg afhankelijk zijn van de instanties (zoals verplicht vrijwilligerswerk bij uitkering).

Ik ben pastor in het wijkpastoraat in het Oude en Nieuwe Westen van Rotterdam. Ik heb niet zoveel met economie, maar Roelien en Johan wijzen mij er steeds weer op hoe de economie in onze levens verankerd zit. Ik heb niet zoveel met het onderscheid betaalde arbeid en vrijwilligerswerk, omdat mijn werk zo leuk is dat beide samenvallen en ik een groot deel van mijn vrije tijd aan mijn werk besteed. Maar Roelien laat mij zien dat ik een geluksvogel ben én dat de economische waarde van wat ik doe zo niet in beeld komt.

Een paar weken geleden at Roelien mee bij onze eetclub in het wijkpastoraat op woensdagavond. Ik stelde haar voor en vertelde over haar onderzoek. Daarbij deed ik een kleine enquête onder de ca. 16 aanwezigen. Tot mijn grote verrassing had iedereen ooit in hun leven betaald werk gedaan en meer dan de helft van de mensen vrijwilligerswerk. Bij de vraag wat ze meer waardeerden gaf bijna iedereen aan dat ze het betaalde werk het leukst vonden of hadden gevonden.

Ik was flabbergasted.

De mensen kennen mij en elkaar te goed om wenselijke antwoorden te geven. Iedereen had ooit een betaalde baan gehad.

Ik merkte dat ik na 20 jaar nog steeds een tunnelvisie heb als het gaat om arbeidsparticipatie in oude wijken en bij laaggeschoolden.

Zoals een dominee betaamt was daar een intensieve zelfreflectie nodig en ik herlas mijn logboeken, dat zijn er nogal wat in 20 jaar.

Een van mijn conclusies was dat veel mensen die ik ondersteun problemen hebben. Heel veel problemen zijn geld-gerelateerd.

Van hen hebben de meesten een moeizame relatie met werk: ze hebben vroeger te zwaar werk gedaan waardoor hun lichaam nu kapot is; ze hebben hard gewerkt voor weinig geld en mopperen over mensen die alles ‘zo maar’ in het handje krijgen (gratis zwemlessen in Rotterdam-Zuid); ze deden ongeschoolde arbeid en waren in slechte tijden de eersten die eruit geknikkerd werden. (Rotterdamse scheepswerven)

Ze willen graag werken, maar kunnen het niet vinden of mogen niet werken omdat ze niet de juiste verblijfspapieren hebben, of omdat hun diploma’s uit hun thuisland niet erkend worden (je wilt niet weten hoeveel gefrustreerde en ziekgemaakte experts uit Afghanistan, Iran, Irak, Syrië enz. er rondlopen in Nederland); ze werken met 0-urencontracten en worden constant gekort op hun uitkering omdat ze niet weten hoe ze hun wisselende uren duidelijk moeten maken aan het UWV; ze moeten verplicht vrijwilligerswerk doen, maar vinden dat werk helemaal niet leuk en voelen zich uitgebuit; ze vinden dat ze mantelzorg doen, maar dat ze daar geen erkenning voor krijgen. Ze willen werken, maar hebben geen idee wat ze kunnen, of geloven allang niet meer dat ze iets kunnen.

Het woord ‘werk’ wordt hierdoor voor hen besmet. En vrijwilligerswerk? Ze zullen gek zijn: als niemand hen waardeert als arbeidskracht, waarom zullen ze hun krachten dan gratis voor anderen inzetten? Bij hen zit de stress dus niet in de combinatie, maar in het ontbreken ervan. Rest hen nog het huishoudelijke werk… De meeste mensen bij wie ik op bezoek kom hebben een spik en span huis: elke dag wordt er gezogen en gedweild, gewassen en gesopt. Maar er zijn ook mensen die deze 3e categorie ook maar links laten liggen. Beide groepen zijn gefrustreerd en voelen zich buitengesloten. Plannen van het rijk, van de gemeente, van de UWV, van re-integratiebureaus (hoeveel zijn er wel niet over de vloer geweest bij het wijkpastoraat), het welzijnswerk, keuringsartsen. Ze zijn het helemaal zat.

Maar deze mensen zitten wel bij het wijkpastoraat. Ze praten met elkaar over het leven en helpen elkaar. Ze maken schoon, ze onderhouden de tuin, gaan met elkaar naar het ziekenhuis en doen klussen bij elkaar thuis, helpen bij de computer, koken voor elkaar, schrijven elkaars brieven en ga maar door. Een sociale economie in het klein. Een kapitaal heb ik in huis met zoveel afgeschreven, betrokken kanjers.

Ik gun het hun wanneer zij het centrum vormen van Roeliens pleidooi in hoofdstuk 6 in de sociale next economy (en misschien worden ze dan ook eens groen)..

Spannend, daar ga ik graag mee aan de slag. In de Oude Westen willen we vanuit het wijknetwerk heel graag een wijkbedrijf starten waar verschillende generaties buurtbewoners ontdekken waar ze goed in zijn, uitzoeken wat ze willen leren, en elkaar kunnen scholen, en daar ook nog wat bij verdienen. Maar ik heb van economie geen verstand, en ook niet van politiek of bedrijfskunde.

Maar het boek van Roelien geeft mij inzicht hoezeer mijn expertise in zingevingsvragen verbonden zijn met sociale next economy, en wat mij betreft is dat in de eerste plaats een wijkeconomie.