
Reflectie door Frans Carbo, bestuurder veiligheidsregio’s/brandweer bij FNV Overheid, op het boek Het werk(t) aan alle kanten, pleidooi om werk opnieuw vorm te geven, uitgesproken tijdens de boekpresentatie in Den Haag op 9 juli 2019.
Geachte aanwezigen,
Een tijdje geleden heeft Roelien mij gevraagd als referent voor haar eerste boek, dat de titel heeft gekregen, Het werk(t) aan alle kanten.
Daarvoor had Roelien mij al eens benaderd om haar concept door te nemen. We hadden hier telefonisch contact over gehad. Wat wel grappig was dat zij tegen mij zei dat zij een sabbatical had genomen om dit te schrijven. Kort daarvoor had ik zelf al eens een sabbatical genomen om op de fiets naar Rome te gaan. Juist om eens goed los te komen van mijn werk. Roelien deed het heel anders, zij gebruikte haar sabbatical juist om een verdiepingsslag in haar werk te maken. En als je het boek leest en de enorme hoeveelheid bronnen ziet die zij daarvoor heeft geraadpleegd, dan is het in mijn ogen echt noeste arbeid geweest. Kortom, noeste arbeid tijdens een sabbatical en daarna was het nog niet afgelopen. Want om tot dit boek te komen, daar is na de sabbatical nog wel wat meer vrije tijd in gaan zitten. De vraag rijst dan natuurlijk hoe het zingeving van arbeid van de scribent zelf is gesteld. Kennelijk zoekt Roelien naast haar betaalde werk, toch nog zingevend ander werk in de vorm van deze intellectuele uitdaging. Je zou toch bijna tegen haar (uitspraak in haar boek) zeggen: ‘Ga toch even zitten, het werk gaat de wereld niet uit, wij wel’. Ware het niet dat het hier zittende arbeid betreft.
Maar het boek lezende begin je je zelf natuurlijk ook af te vragen hoe jij nu tegenover dit onderwerp staat. Als vakbondsbestuurder houd ik mij in de eerste plaats bezig met de positie van de werkenden, in plaats met het werk zelf. Maar hier kom ik later nog wel even op terug.
(Jeugdwerkloosheid)
Mijn gedachten gingen onwillekeurig terug naar het begin van mijn eigen loopbaan en hoe ik mij voelde toen ik mijn studie had afgerond. En natuurlijk hoe ik toen tegen werk als zodanig aankeek.
Ik kan jullie verklappen dat ik niet echt een flitsende start in mijn werkzame leven heb gemaakt. Afstuderende in 1984 lagen de banen toen beslist niet voor het oprapen. Bij het begin van de crisis in 2008/2009 moest ik daar ook vaak aan terugdenken. Vooral vanwege de publiciteit rondom de grote jeugdwerkloosheid en schoolverlaters die veelal niet aan de bak kwamen, vaak bleven hangen in stages of maar weer een nieuwe studie oppakten. De aanleiding van de crisis was anders, maar ik kan me voorstellen dat het gevoel van de jongeren toen en nu hetzelfde is geweest.
Voor mijzelf was het een donkere of schemerige periode. Je studeert af, helemaal geëquipeerd om de arbeidsmarkt te bestormen en dan merk je dat er eigenlijk niemand op je zit te wachten. Roelien was in die tijd ook een van de weinige studiegenoten die ik had, die aansluitend naar haar afstuderen een baan had gevonden. Bij mij en vele generatiegenoten in Groningen heeft het toen nog wel even geduurd. De eerste paar maanden na je studie valt het nog wel mee. Je kreeg toen een inkomen van de bijstand/RWW dat rianter was dan het inkomen dat je als student gewend was. En je kon uitrusten van de laatste studie inspanningen want het was veelal een worsteling om je scriptie af te krijgen. Maar na een paar maanden ging het toch onder mijn huid zitten. Ook al verkeerde je soms in kringen waar het arbeidsethos niet al te hoog was en sommigen zich van de samenleving begonnen af te keren, verkondigend dat zij ook wel gelukkig konden worden zonder betaald werk. Kortom het betaalde werk werd als zodanig in die jaren door een groep jongeren danig gerelativeerd of zelfs in de negatieve sfeer getrokken. Ook in de popcultuur werd daar in die dagen uiting aan gegeven, zoals de Punk en het nummer Koos is werkeloos van het Klein Orkest (Harry Jekkers).
Na een jaar solliciteren en een aantal vrijwilligersbaantjes, hele mappen vol, kon ik uiteindelijk voor zes maanden aan de slag bij de gemeente Assen op de afdeling Onderwijs. Eerlijk gezegd zou ik dat baantje nu kwalificeren als een bullshit job, natuurlijk onderbetaald en een niet al te leuke werksfeer daar. Maar toch voelde ik mij groeien, ik verdiende mijn eigen inkomen, de omgeving begon anders op mij te reageren en mijn familie was ook blij.
Hierna toch weer een tijdje werkloos maar kon ik daarna tijdelijk aan de slag bij een andere gemeente. Dat werd verlengd (wel na een korte onderbreking zodat zij niet aansprakelijk waren voor het wachtgeld) en toen werd het nog eens verlengd en na twee jaar kwam eindelijk een vaste aanstelling. Hierna kon ik doorrollen naar andere banen en ben nooit meer zonder betaald werk geweest. De meeste generatiegenoten in Groningen hadden een moeizame start maar ook daar is het uiteindelijk wel mee goed gekomen. Wij werden in die tijd ook wel de verloren generatie genoemd. Dit was niet iets waar je vrolijk van werd en eigenlijk stimuleerde deze uitdrukking het verzet in die tijd tegen het toen heersende arbeidsethos. Uit die tijd heb ik wel geleerd en aan den lijve ondervonden hoe belangrijk werk was en als het goed is ook zingeving meebrengt, naast een inkomen, status, contacten en sociale positie etc. Kortom in het huidige bestaan is bijna alles rondom het werk georganiseerd, tot aan je woonsituatie en plaats toe.
(Rol van pensionering)
Werk, werk, werk is ook wel eens het motto van een regeerakkoord geweest en vrijwel altijd komt het woord er in voor. Maar toch is het raar gesteld met het fenomeen werk, denk aan de status en de positie en de contacten die het met zich meebrengt. Mensen zijn namelijk ook bereid om een groot deel van hun inkomen opzij te leggen om later als pensioen te ontvangen en ervan te genieten. Als je een bepaalde leeftijd hebt bereikt worden de voordelen van werk kennelijk niet meer zo groot geacht en schrompelt de zingeving hiervan ineen. Dat is goed beschouwd toch wel raar, als je bedenkt dat als je gezond oud wil worden, je actief moet blijven. Dan komt werk dus wel weer om de hoek kijken, maar dan vaak in de vorm van vrijwilligerswerk, het oppassen op de kleinkinderen of verzin het maar. Maar dan heeft men kennelijk het gevoel eigen keuzes te kunnen maken in onafhankelijkheid. Het pensioen en de leeftijd wordt van groot belang geacht door de mensen, kijk maar naar het pensioenakkoord en de acties die hiervoor gevoerd zijn. Vooral tegen de snelle verhoging van de AOW. Kennelijk gaat men dan een volgende fase in en is het voor die fase gedaan met het arbeidsethos. Die geldt dan alleen weer voor volgende generaties.
(Beroepsidentiteit)
Dit geldt ook voor beroepsgroepen met een sterke identiteit en beroepstrots die ik in mijn praktijk tegenkom zoals gevangenisbewaarders, politiefunctionarissen en leden van de brandweer. De brandweer is wel een sterk voorbeeld. Deze bestaat uit beroeps en vrijwilligers. De beroepsbrandweerlieden hebben de afgelopen jaren gestreden voor het behoud van hun Functioneel leeftijdsontslag (FLO, afhankelijk van je cohort kan je er tussen 55 en 59 uit). Dus nog vroeger met pensioen dan de meeste anderen zal ik maar zeggen. En dat voor een beroepsgroep met een sterke identiteit, korpsgeest, beroepstrots en een sterke zingeving door hun functie binnen het veiligheidsdomein. En welk jongetje wilde vroeger geen brandweerman worden?
Die FLO heeft natuurlijk zijn grond in de zwaarte van het beroep. Het hangt ook van de persoon af, maar je kunt het niet al te lang volhouden. Maar voor vrijwilligers ligt het dan net weer anders. Veel vrijwilligers hechten ook aan de sterke identiteit, beroepstrots maar ook aan hun inzet voor de veelal lokale samenleving. En zij blijven het vaker ook langer doen. Overigens zijn de huidige vrijwilligers naar Europees recht, door hun inzet en opleiding, in feite deeltijders en daarmee beroeps geworden. Dit dispuut wordt nu volop door de Veiligheidsregio’s en de minister gevoerd.
(Fatsoenlijk werk in Nederland)
Het boek van Roelien is getiteld Het werk(t) van alle kanten. Daarmee is onverbrekelijk verbonden de positie van de werknemer in het werk. Roelien zegt ook het een en ander over decent jobs. Iets dat mij als vakbondsbestuurder natuurlijk aan het hart gaat. Decent wil zeggen fatsoenlijk werk met een fatsoenlijk en leefbaar inkomen. Veel mensen denken dat dit eigenlijk in Nederland niet van toepassing is, maar in landen als India, Bangladesh etc. daar waar wij onze goedkope producten laten maken. Maar ook in ons eigen land is het steeds meer een onderwerp. Kijk maar hoe wij soms omgaan met onze migranten werkers uit Oost- en Zuid-Europa. Maar ook het overheidsbeleid met aanbestedingen in de zorg. Vooral de thuiszorg is een bekend voorbeeld waar door het aanbestedingsbeleid het personeel loonsverlagingen kregen opgelegd en onzekere arbeidscontracten, namelijk flexcontracten en ZZP-schap.
(Ontstaan precarious jobs)
Kijkend naar de toekomst van het werk wordt de positie van de werkende ook steeds onzekerder. Vooral in de nieuwe digitale economie krijg je steeds meer precarious jobs. Als je kijkt naar de zogenaamde deeleconomie, de sharing economy, dan kunnen we vaststellen dat van delen eigenlijk geen sprake meer is. Het is dan meer op vraag gebaseerd. Voorbeelden zijn natuurlijk Uber en Deliveroo. De app vraagt en de werknemers draaien. Ondertussen worden mensen in een ZZP-positie geplaatst en ontkent de werkgever in feite elke formele arbeidsrelatie met zijn werknemers. Daarmee ontslaat de werkgever zich van elke verantwoordelijkheid die hij heeft ten opzichte van de mensen die onder de rigueur van de App werken. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling. Dit ondermijnt het sociale contract dat wij eigenlijk met de samenleving, de werkgevers en de overheid hebben. Waar kunnen deze werkenden dan nog terecht?. En ontneemt dit niet steeds meer de zingeving van de arbeid als je je respect eigenlijk alleen nog moet halen uit een app? Volgens mij verlies je op dit terrein steeds meer de sociale context waarin je eigenlijk werkt en in feite verlies je ook je collega’s. Want je wordt steeds meer concurrenten van elkaar. Waardoor de inkomens ook weer onderdruk komen te staand.
(Flexibilisering-sociaal contract-gelijkwaardigheid van werk)
Roelien constateert in haar boek dat de effecten van de digitalisering/robotisering of andere technologieën voor de toekomst van werk lastig te voorspellen zijn. Ik ben van mening dat wij alles op alles moeten zetten om te voorkomen dat deze ontwikkeling het sociale contract, dat de burger heeft met de verschillende partijen en de samenleving als geheel, niet gaat ondermijnen. Als deze ontwikkeling tot gevolg heeft dat er steeds meer geflexibiliseerd wordt, moet er worden nagedacht over het sociale bestel. Anders ben ik er van overtuigd dat de zingeving van arbeid hieronder komt te lijden en we de armoede voor de toekomst aan het organiseren zijn. En dan spreek ik nog niet eens over de werkdruk en de stress die deze ontwikkeling en onzekerheid met zich mee brengen.
Onlangs ben ik bij een congres geweest van de EPSU in Dublin. De EPSU is de European Public Service Union. Het thema was Fighting for a future for all. De toekomst van de publieke sector en de toekomst van het werken in de publieke sector waren belangrijke onderwerpen. Daaraan werd verbonden thema’s als de digitalisering en robotisering, maar ook de klimaatverandering en de gevolgen daarvan voor de sector en het werk. De Ierse president heeft daar ook een toespraak gehouden en vele behartigingswaardige dingen gezegd. Een aspect wil ik hier uit lichten. Hij had het over de Dignity of Labour. All jobs are respected equally. Dit werd ook uitgedragen door Ghandi. Daarover zei hij: I believe a corollary of this concept is that a return to the fundamentals of decent, secure jobs would be a widespread increase in job satisfaction, a better sense of accomplishment, and improvement in quality of life across nations.
(Waardering van vitale beroepen)
Dat brengt mij nog op het volgende. De waarde en de waardering van het werk. Hoe kan het zijn dat vormen van werk die wij uitermate waarderen en afhankelijk van zijn of worden zoals die van thuishulpen, verplegenden en verzorgenden, onderwijsgevenden, hulpverlening etc., zo karig worden betaald in vergelijking met functies als bankiers, managers, leden van raden van bestuur etc. Laat ik het zo zeggen, ik hecht meer aan goede onderwijsgevenden voor mijn kinderen en goede verzorgsters voor mijn moeder in het verpleeghuis dan aan bankiers en de top managers die ver weg in hun burelen anoniem aan het besturen zijn. Maar die waardering komt absoluut niet tot uiting in de beloningsverhoudingen. Peter de Waard komt er vandaag in zijn column in de Volkskrant ook op terug. Titel van zijn column is, Mag iedere vakman salaris van een tv- presentator krijgen. Hij refereert aan een ambachtelijke bakker (Jaap van der Veer) die absoluut geen vervanging kan vinden in zijn bedrijf, maar het tv-programma Heel Holland Bakt trekt wel vier miljoen kijkers. Televisiester worden is belangrijker dan het vak. Hij concludeert dan ook het volgende: het grote verschil is dat iedereen die een vak uitoefent in het zicht van de camera een bovenmodaal salaris krijgt, terwijl de mensen die het echte werk doen worden afgeknepen. Volgens de wet van vraag en aanbod zouden televisiemensen minimumlijders moeten zijn en zouden bakkers, bouwvakkers en onderwijzers recht hebben op het salaris van Jeroen Pauw. Voor de vervanging van Jaap van der Veer staan ze dan in de rij.
(Slotwoord)
Aldus. Waar Roeliens boek mij al niet toe heeft geïnspireerd. Het is geen makkelijk boek om te lezen maar zekerde moeite waard en zinnig om tot je te nemen als je in het onderwerp bent geïnteresseerd. Het boek geeft een goed overzicht van alle kanten van het werk en de toekomst en zet je aan tot het verder denken over werk. In mijn functie kom ik veel met allerlei concepten van werk en verschillende werknemers en werkgevers in aanraking. Maar vaak is het problemen oplossen, repareren en nieuwe zaken en projecten die uit dit werk voortvloeien oppakken en proberen te regelen. Maar op een echte bezinning over het werk, nee dat komt er bij mij meestal niet van. Roelien heeft het wel gedaan. Ik zou zo zeggen, lees het boek.